Aan tafel op OBS Koolhoven in Tilburg zitten Ted Outmeijer, Frank van de Wiel, Vicky Reichel, Gerben van Limpt, en Lonneke Sillekens. Wat hen bindt, is een gezamenlijke overtuiging: motoriek verdient een vaste plek binnen het onderwijs.
De aanleiding voor het gesprek ligt in het netwerk motoriek-fysiek, waarin schoolbesturen, gemeente Tilburg, zorgpartners en Plein 013 samenwerken aan een sterkere basis voor kinderen. Vanuit dat netwerk is de routekaart motoriek fysiek ontwikkeld. OBS Koolhoven laat zien hoe die routekaart in de praktijk kan werken.
Bewegingsarmoede zie je terug in de klas en in de gymzaal
Dat kinderen minder bewegen dan vroeger, merken ze dagelijks. “Je ziet het in kleine dingen,” vertelt kwaliteitscoördinator Ted Outmeijer. “Kinderen die moeite hebben met fietsen, met klimmen of met balvaardigheid.”
Als combinatiefunctionaris vanuit de gemeente Tilburg en gymdocent herkent Frank dat beeld. “We zien vaker dat kinderen bepaalde basisvaardigheden niet goed beheersen. En als je ergens niet vaardig in bent, ga je het vermijden. Dat zie je terug in de gymles, maar ook op het schoolplein.”
Het gaat daarbij niet alleen om sportieve prestaties. Motorische achterstanden raken ook het zelfvertrouwen, de concentratie en deelname in de groep. “Een kind dat niet goed kan meekomen in bewegingssituaties, kan zich onzeker gaan voelen,” licht Vicky, specialist op het gebied van motoriek, toe. Juist daarom vonden zij het belangrijk om niet alleen te constateren, maar ook gericht te handelen.
Vroeg signaleren en samen kijken wat nodig is
Op OBS Koolhoven worden alle kinderen in groep 3 gescreend met de 4S-en test. Daarbij wordt gekeken naar balans, sprongkracht, coördinatie en balvaardigheid. “Sprongkracht is vaak een aandachtspunt,” vertelt Gerben van het Beweegteam Onderwijs en Sportbedrijf van de gemeente Tilburg. “En regelmatig zien we dat kinderen op meerdere onderdelen moeite hebben.”
Na deze screening in groep 3 wordt de motorische en sociaal-emotionele ontwikkeling van kinderen gevolgd met behulp van Beweegbaas. Zo kan de school ook op latere leeftijd tijdig passende interventies inzetten. Daarnaast spelen observaties van leerkrachten en de vakleerkracht bewegingsonderwijs een belangrijke rol. Samen bespreken zij of een ontwikkeling passend verloopt of dat extra ondersteuning wenselijk is.
“Het is belangrijk dat je vroeg signaleert,” zegt Lonneke, die als kinderoefentherapeut op de basisschool werkt. “Door problemen tijdig op te pakken, voorkom je dat ze groter worden.”
De routekaart als gezamenlijke leidraad
De aanpak op OBS Koolhoven staat niet op zichzelf, maar is gebaseerd op de routekaart motoriek fysiek. De routekaart beschrijft drie niveaus van ondersteuning en helpt professionals om dezelfde stappen te doorlopen.
“Je weet waar je staat en wat logisch is als volgende stap,” zegt Gerben. Volgens Frank zorgt dat voor duidelijkheid in rollen en verwachtingen. “Iedereen weet wie waarvoor verantwoordelijk is. Dat maakt de samenwerking overzichtelijker en efficiënter.”
Daarnaast ondersteunt de routekaart ook het gesprek met ouders. “Je kunt samen kijken waar een kind zich bevindt en welke ondersteuning passend is,” legt Vicky uit.
Op de website van Plein 013 is de routekaart en de bijbehorende visual fysiek-motoriek beschikbaar voor scholen die hiermee aan de slag willen.
MRT als gerichte versterking
Wanneer extra ondersteuning nodig is, start vanuit gemeente Tilburg het MRT (Motorische Remedial Teaching) traject als één van de uitwerkingen van de routekaart. Tilburg loopt hierin voorop ten opzichte van andere regio’s. Wekelijks zijn meer dan 14.000 kinderen via het gemeentelijke beweegaanbod in beweging. “Het lijkt op een speelse beweegles,” vertelt Vicky, “maar we werken doelgericht aan basisvaardigheden zoals evenwicht, coördinatie, balvaardigheden en sprongkracht, zodat de grove motorische vaardigheden verbeteren.”
Als er naast deze motorische steunlessen extra aandacht nodig is, verwijst het Beweegteam de kinderen door naar Lonneke. Zij richt zich juist op de fijne motoriek, waarbij ze één-op-één met kinderen aan de slag gaat. “Dat doen we bijvoorbeeld door te spelen met kralen of te schrijven.”
Kinderen gaan gemiddeld motorisch 11,4 maanden vooruit in een traject van tien weken. “Dat is echt veel,” benadrukt Gerben. “Maar misschien nog belangrijker is dat kinderen weer durven mee te doen. Dat laat zien welk effect gerichte ondersteuning heeft.”
Na het signaleren van beweegarmoede is MRT meestal de eerste stap. In kleine groepen volgen kinderen motorische steunlessen gericht op de grove motoriek. Als dit onvoldoende effect heeft, of wanneer er sprake is van complexere problematiek, worden kinderen doorverwezen naar Lonneke voor één-op-één oefentherapie op het vlak van fijne motoriek. Bijvoorbeeld door samen te schrijven of te spelen met kralen. Deze duidelijke verdeling tussen steunlessen en specialistische therapie maakt de MRT‑ondersteuningsroute effectief.
Ouders worden betrokken bij het traject en kinderen krijgen oefeningen mee naar huis (bekijk hier een voorbeeld). Zo wordt de ontwikkeling niet alleen op school ondersteund, maar ook daarbuiten.
Geen stempel, maar een succeservaring
Belangrijk is dat MRT voor leerlingen niet voelt als extra hulp. “Voor kinderen is het gewoon een leuk moment van de week,” zegt Ted. Frank herkent dat. “Andere kinderen vragen zelfs of ze ook mee mogen doen, omdat het er zo leuk uitziet.”
Dat speelse karakter is bewust gekozen. Het vergroot de motivatie en zorgt ervoor dat kinderen succeservaringen opdoen. En juist die ervaring van ‘ik kan dit’ werkt door in het dagelijks leven.
Samenwerking maakt het verschil
OBS Koolhoven laat zien hoe nauwe samenwerking tussen school en gemeente werkt. Frank vervult als combinatiefunctionaris een verbindende rol tussen onderwijs en het gemeentelijke Beweegteam, met korte lijnen naar kinderoefentherapie.
“Het feit dat we als professionals allemaal op deze school rondlopen, elkaar kennen en snel kunnen schakelen, maakt echt verschil,” zegt Ted. “Je hoeft niet eerst een heel traject uit te zoeken. We weten elkaar te vinden.”
Volgens Gerben is de routekaart niet zomaar een papieren document. “Het is een hulpmiddel dat richting geeft aan dagelijkse keuzes. OBS Koolhoven laat daarmee zien hoe de MRT‑ondersteuningsroute binnen de gemeente Tilburg in de praktijk werkt, een aanpak die op alle 48 deelnemende scholen wordt ingezet.”
Motoriek blijvend onder de aandacht
Dit praktijkvoorbeeld laat zien dat motoriek geen tijdelijk speerpunt mag zijn. “Het moet onderdeel zijn van je basiskwaliteit als school,” zegt Lonneke. “Net zoals taal en rekenen aandacht krijgen, verdient bewegen dat ook.”
Met de routekaart motoriek‑fysiek van Plein 013 als gezamenlijke leidraad werken onderwijs, gemeente en zorg samen aan tijdige signalering en passende ondersteuning. Daarmee reikt investeren in motoriek verder dan bewegen alleen: het raakt zelfvertrouwen, participatie en ontwikkelkansen.
“Als we willen dat kinderen stevig in hun schoenen staan, besluit Gerben, “dan begint dat letterlijk bij een stevige basis.”